De binnenkant van duurzaamheid

Matthijs Schouten

Publicatie

11.10.2021

Leesduur

15 min

We zijn aangekomen in een tijdperk dat door de wetenschap het Antropoceen genoemd wordt. Dat wil zeggen, het tijdvak waarin wij als ‘mens’ het aanzien van de aarde en het aanzien van deze planeet zijn gaan bepalen. Dat klinkt op het eerste gezicht erg geruststellend. Alsof we alles nu onder controle hebben. Maar het tegendeel is waar. Het Antropoceen wordt gekenmerkt door enorme onzekerheid. We weten eigenlijk totaal niet meer hoe deze wereld er over ‘pakweg’ twintig, dertig, veertig jaar uit zal zien.

Wie zullen we moeten worden om een duurzame toekomst te creëren voor onszelf en voor alle andere levensvormen op deze planeet?

Matthijs Schouten

Dat heeft te maken met grote crises die voor ons liggen en waar we voor een deel ook middenin zitten. We hebben te maken met een ecologische crisis. Per dag sterven er tussen de vijf en twintig planten en diersoorten op deze wereld uit door menselijk toedoen. Dat is een sneller uitstervingproces dan `ooit in het verleden geweest is; door toedoen van de mens.

Dagelijks verdwijnen er ecosystemen op deze plek. Dat wil zeggen dat de variabiliteit van het leven - wat in een wetenschappelijke term biodiversiteit genoemd wordt, de variatie aan soorten, variatie aan ecosystemen - snel aan het afnemen is. Onder menselijke invloed. Inmiddels hebben we wereldwijd zo'n 30 procent van onze biodiversiteit verloren. En in Nederland is dat proces nog veel sneller verlopen, omdat we een erg dichtbevolkt land zijn. We hebben hier in dit land nog maar 15 procent over van de biodiversiteit die er was rond het jaar 1700.

We hebben ook te maken met een milieu crisis. We zitten midden in een stikstofcrisis. Het milieu vervuilt. De oceanen zijn vol plastic. We hebben te maken met een klimaatcrisis en we zitten middenin een coronacrisis. En die coronacrisis heeft, zo stellen veel wetenschappers, te maken met het gegeven dat we de natuur sterk onder druk zijn gaan zetten. Hierdoor zijn pandemieën meer waarschijnlijk geworden. Kortom, het Antropoceen is een tijdvak vol crises.

Crisis in geest en ziel
De vraag is nu hoe we hier eigenlijk gekomen zijn. Waar gaat het nu écht om? In de jaren zeventig van de vorige eeuw schrijft de Amerikaanse politicoloog Lynton Caldwell al dat de milieucrisis met vele zaken te maken heeft. Het is een misvatting te denken dat het alleen gaat om uitstervende soorten, een vervuild milieu en door de mens gemaakte lelijkheid.

De milieucrisis of de ecologische crisis heeft volgens Caldwell voor alles te maken met een crisis in geest en ziel. Het heeft te maken met de vraag “Wie denken wij dat we zijn als mens op deze aarde?”, “Hoe zien wij onszelf op deze aarde?” en met de vraag “Wie zullen we moeten worden om een duurzame toekomst te creëren voor onszelf en voor alle andere levensvormen op deze planeet?”

De crisis waar we het over hebben, gaat dus eigenlijk over onze menselijke identiteit en over de vraag “Wie denken we te zijn?”; “Hoe zien we onszelf in relatie tot de wereld?”

Blauwdruk
En zo is het ook met de seizoenen. De lente en zomer gaan over groei. De herfst en de winter gaan over naar binnen keren. En de periode tussen 25 december en 6 januari vormt de fase van stilte. Dat zijn de 12 heilige nachten. Daarin ontstaat als het ware de mal die de blauwdruk vormt voor het komende jaar. De kiemen worden dáár gelegd.

Wat er normaal gebeurt in de expansiefase, is dat de zaadjes, die gepland zijn, beginnen te groeien. Voor de mens kun je die zaadjes zien als ideeën, gedachtes, gevoelens die je leert beheersen, enzovoort. Op alle vlakken is er in de lente groei met veel mogelijkheden tot vormen van ontvouwing. Na de lente komt de zomer. Dat is de periode van volle bloei. En na de zomer begint de periode van contractie. Contractie betekent dat de opgedane ervaringen worden gekneed en worden verwerkt. Het is alsof alle opgedane ervaringen vanuit verschillende hoeken bekeken en geëvalueerd worden. Dat kun je je erbij voorstellen.

En nu komt het: pas als er contractie heeft plaatsgevonden, kan er stilte komen. Anders eigenlijk niet. In die stilte komen expansie en contractie samen. Dat is moeilijk te bevatten wellicht, maar het gaat over eenheid, over worteling, en dat vanuit díe eenheid de natuurlijke impuls komt voor een volgende expansiefase.

Natuur dienstbaar aan de mens
In het westerse wereldbeeld is er een sterk Antropocentrische houding. Een houding waarin wij onszelf als mens centraal stellen in het geheel der dingen. Die houding heeft een lange geschiedenis. Dat begint al in de klassieke oudheid, wanneer de grote filosoof Aristoteles een rangorde van verschijnselen maakt in de natuur. Een zogenoemde grote ladder van het ‘zijn’. Die ladder begint met de mineralen, dan komen de planten, dan komen de dieren en bovenaan staat de mens. “En die mens,” zo zegt Aristoteles, “onderscheidt zich van al het andere, doordat hij een locos, een rationeel verstand, heeft.” Daarom is hij anders dan de rest van de natuur. “En bovendien,” stelt Aristoteles, “is die hele natuur dienstbaar aan de mens.” In de orde der dingen moet het lagere het hogere ten dienste zijn. Aangezien de mens met zijn rationele verstand het hoogste wezen op aarde is, is de rest van de natuur dienstbaar aan de mens.

Dit idee zal door latere filosofen in Griekenland en in Rome vertaald worden naar het beeld dat de goden de wereld geschapen hebben ten behoeve van de mens. Dat beeld wordt overgenomen door het Christendom. Tweeduizend jaar lang zal de christelijke kerk prediken dat de natuur door God geschapen is, ten behoeve van de mens. Zo zal Luther zeggen: “De dag is geschapen zodat de mens naar arbeid kan gaan. De nacht is geschapen zodat de mens kan rusten. En vlooien zijn geschapen, zodat de mens niet té lang zal rusten.”

In de zeventiende eeuw is er nog een grote Engelse wetenschapper, Henry Moore, die zal schrijven: “God schiep runderen om biefstukken vers te houden voor menselijke consumptie.” Ook hier een natuur, ten dienste van de mens.

Natuur als verstandloos, zielloos en geestloos
Voor de klassieke denkers, was de hele natuur wel bezield. Alles dat leefde had een ziel. In het Christendom wordt sterk de nadruk gelegd op de onsterfelijke menselijke ziel en verliest langzaam maar zeker de natuur haar ziel en haar bezieling. Aristoteles haalde alle ratio, alle verstand, uit de natuur. Het Christendom haalt de ziel er uit en stelt óók nog dat de natuur er is ten behoeve van de mens.

Daarna krijgen we de grote verlichtingsdenkers, zoals René Deckard, die zullen stellen dat er alleen maar geest en materie is; twee substanties. Deckard zal zeggen “Ik heb niet kunnen aantonen, dat er enige andere aanwezigheid op deze wereld is dan de mens, die geest en lichaam combineert. Daarom ga ik ervan uit, dat al het andere dan de mens slechts materie is en geen enkele geest bezit.” Daarmee werd de natuur ook nog geestloos. Verstandloos, zielloos en daarna geestloos.

Onze afscheiding als basis voor alle grote crises
De Franse filosoof Bruno Latour stelt, dat dát wat het Westen bijgedragen heeft tot het grote discours over natuur is dat wij hier in het Westen, onze cultuurgeschiedenis, de natuur uiteindelijk gemaakt hebben tot een verzameling van objecten. Van dingen die er zijn voor menselijk gebruik. We hebben er alle subjectiviteit uitgehaald. Dat heeft geen enkele andere cultuur in de wereld gedaan. Dit is een typisch westers wereldbeeld. En precies dit wereldbeeld ligt ten grondslag aan de grote crisis van het Antropoceen.

We hebben onszelf van de natuur gescheiden, afgescheiden en erboven geplaatst. We zien alleen onszélf als een subject in deze wereld vol objecten, die er zijn voor ons gebruik. Daarmee hebben we de aarde uitgeput. Daarmee hebben we de biodiversiteit onder grote druk gesteld en hebben we crises veroorzaakt die we nauwelijks meer aankunnen.

Beeld van afgescheiden entiteiten is misvatting
Het beeld, dat wij gescheiden zijn van de natuur, is echter een misperceptie. We zijn niet gescheiden van natuur. We kunnen niet bestaan zonder de natuur. We kunnen niet bestaan zonder de wereld om ons heen. De zuurstof die we inademen wordt door planten geproduceerd. In het voedsel dat we dagelijks eten ligt de groei van planten. Daarin ligt het leven van dieren. Daarin liggen allerlei stoffen die in de natuur ontwikkeld zijn en die wij als medicijnen kunnen gebruiken. Daarin ligt de bestuiving door insecten. Wij zijn in ons wezen en in ons diepste menselijk bestaan volledig verbonden met de natuur om ons heen. Wij zijn daar niet los van!

Daarom zijn er ook veel denkers die stellen dat we - willen we naar een duurzame toekomst gaan - ons wereldbeeld en het beeld van onszelf in deze wereld zullen moeten bijstellen. Bruno Latour stelt: “Wij zullen de natuur opnieuw moeten leren zien, zoals dat in vroegere culturen gebeurd is en zoals dat in niet westerse culturen gebeurd is.” Niet als een verzameling van dingen en objecten, maar als een verzameling van subjecten waarmee we in betrekking, in relatie, in verhouding. zijn. Latour stelt zelfs: “We zouden ons democratisch bestel zo moeten uitbreiden dat ook niet menselijke wezens daarin een stem hebben.”

We zien heel langzaam dat in het Westen ons wereldbeeld aan het veranderen is. Er zijn op allerlei plekken als het ware herijkingen van ons mens- en wereldbeeld. Je ziet stromingen en bewegingen, waarin de natuur meer en meer gezien wordt als een partner. Een partner waarmee we in relatie zijn.

Evolutietheorie
In dit licht is het interessant om te wijzen op de evolutietheorie, die in de negentiende eeuw ontwikkelde. In 1859 schreef Darwin zijn ‘Origin of Species’, waarin hij het principe van de natuurlijke selectie naar voren brengt. Het is interessant te kijken naar de wijze waarop de evolutietheorie geïnterpreteerd is in onze wetenschap en in onze samenleving. Die wijze is nauw verbonden met de manier waarop wij naar de wereld kijken. Vijf jaar nadat Darwin zijn wetenschappelijke theorie had gepresenteerd, was er namelijk een Engelse politicoloog, filosoof en bioloog, Herbert Spencer, die het boek ‘The Principles of Biology’ schrijft.

Wat Spencer probeerde te doen in zijn boek, is de evolutietheorie vertalen naar de menselijke samenleving. Daarmee is hij eigenlijk een sociaal darwinist. Alleen de manier waarop hij daarover schreef, gaf een zeer fascinerende interpretatie van de evolutietheorie. Spencer bracht de term 'Survival of the Fittest' naar voren. Die is niet van Darwin. 'Survival of the Fittest' betekent eigenlijk het overleven van de soort die het best aangepast is aan veranderende milieu omstandigheden. Echter, 'Survival of The Fittest' werd, mede onder invloed van Spencer, geïnterpreteerd als het overleven van de sterkste. En dat wordt ook een deel van de vrije marktideologie, die toen begon te ontwikkelen. Het is niet voor niets dat Spencer Amerikaanse ondernemers zoals Andrew Carnegie enorm geïnspireerd heeft. Zo krijgen we dus een neo-darwinisme, gebaseerd op de theorie van Darwin, die eigenlijk past in het hele vrije marktdenken. En in het neoliberale denken.

Fascinerend is dat nu, in deze tijd, wetenschappers die evolutietheorie heel anders beginnen te duiden. De wetenschap duidt er nu op dat de soorten die in het evolutieproces overleven niet de sterkste zijn, maar de soorten die het best aangepast zijn. De soorten die de meeste relaties en de meeste verbindingen aangaan met de wereld om hen heen. Met het milieu waarin ze leven en ook met andere soorten. Daar gaat het dus om samenwerking en verbinding. Zo zie je, dat ons wereldbeeld langzaam aan het verschuiven is en dat we daardoor ook vanuit de wetenschap anders kijken naar theorieën die allang bestaan.

Meer nodig dan cognitie
Het verschuiven van de beelden in onze samenleving zorgt dat meer en meer mensen nu niet meer vinden dat de natuur er voor ons is en dat we daar boven staan. Meer en meer mensen erkennen dat we deel zijn van de natuur en dat we er goed voor moeten zorgen. Dat, zou je zeggen, is op zichzelf heel verheugend. Maar er zit nog een klein probleem. Het beeld zit alleen nog maar in ons hoofd. Het is een cognitie. We stellen vast, want dat leert de wetenschap ons ook, dat we verbonden zijn met de natuur, dat we afhankelijk zijn van de natuur, dat we deel uitmaken het ecosysteem. Alleen dat is bij heel veel mensen alleen nog maar een rationele cognitie. Een keurige vaststelling in het denken.

De kans is groot dat wanneer we het alleen maar zien in termen van cognities er niet zo vreselijk veel direct gaat veranderen in onze handelingspatronen. Want terwijl die beelden in onze westerse wereld van relatie tussen mens en natuur aan het veranderen zijn, gaan de crises gewoon door. Er blijven soorten uitsterven. De klimaatcrisis is nog lang niet afgewend. De milieucrisis is nog lang niet voorbij. Het wereldbeeld is aan het veranderen, maar we handelen er nog niet naar.

Dat heeft heel veel te maken met het feit dat we dat nieuwe wereldbeeld nog niet geïnternaliseerd hebben. We zijn het nog niet gaan ervaren. We voelen het nog niet. We denken in ons hoofd wel dat we deel zijn van een grotere gemeenschap van leven, maar we ervaren dat nog niet.

Als we werkelijk naar een duurzame toekomst willen toegaan, dan is het essentieel dat we ons wezenlijk verbinden met die grote gemeenschap van leven op deze aarde. Dat we ons er werkelijk mee verbinden in ons hart en in ons gevoel. Dat vraagt oefening, want er zit tweeduizend jaar cultuurgeschiedenis tussen onze oren waarmee we de wereld framen. Tweeduizend jaar cultuurgeschiedenis waarmee we ook onze ervaring van de wereld duiden. We zullen er echt aan moeten werken om daarin verandering te brengen en een wezenlijk andere relatie met de wereld aan te gaan; met de natuur aan te gaan en met de grote gemeenschap van leven Dat gaat niet vanzelf. Dat moeten we weer leren.

Dit is de meest wezenlijke uitdaging van deze tijd. Dat we ons weer verbinden; herverbinden met een grote gemeenschap van levende wezens, subjecten, die naast en met ons zijn en waarmee we in relatie zijn. We zullen deze relaties moeten herontdekken en ook weer moeten gaan leven en beleven. Alleen dan kunnen we werkelijk werken aan een toekomst van duurzaamheid. Niet alleen voor onszelf, maar voor al wat leeft.

Crisis van machteloosheid
Tot slot. Er is nog een crisis, waar ik kort iets over zou willen zeggen. Een crisis die ik zeer verontrustend vind. Ik vraag vaak aan mijn studenten, wie van hen er optimistisch over is, dat wij als mensheid erin zullen slagen een duurzame toekomst te creëren voor onszelf en de rest van het leven op deze aarde. Jaar na jaar na jaar zijn er minder studenten die zeggen dat ze daar optimistisch over zijn. Meer en meer studente die niet geloven dat ons dat gaat lukken. Als ik hen dan vraag waarom ze zo pessimistisch zijn, dan zeggen sommigen "Het is gewoon al te laat. Er is al zoveel misgegaan, dat kunnen we niet meer terugdraaien."

Anderen zeggen simpelweg "We kunnen het schip niet meer keren. Zelfs als het nog niet te laat is. Want, de grote systemen, het systeem van de economie, het financieel systeem, de multinationals en de globalisering zijn zo krachtig geworden, zulke eigen drijvende krachten geworden, dat we dat niet meer kunnen keren. Je kunt zelf wel proberen duurzaam te leven, maar dat heeft geen invloed meer op het grote geheel. Dat betekent niks meer.”

Hiermee verbonden is voor mij een crisis in het gevoel van machteloosheid. “Er niets meer aan te kunnen doen.” Dat vind ik een zeer alarmerende crisis, want als je je machteloos bent gaan voelen, dan hoef je ook niks meer te veranderen. Dan ontstaat er een soort lethargie, waarin we niet werkelijk kunnen werken aan duurzame oplossingen en duurzame strategieën.

Dus naast het feit dat we onze zullen moeten herverbinden met die grote gemeenschap van leven, zullen we ook weer onszelf moeten empoweren. “Het bewustzijn ontwikkelen dat we er toe doen.”

Een wereld vol verbinding
Dat is nu ook wat de natuur ons leert. De natuur is een wereld vol verbinding. Elk ecosysteem kent talloze verbindingen. En ieder van ons is op talloze wijze verbonden met de wereld om ons heen. Dat noemen we in een bepaald model, het model van participatie. Wij hebben deel - ieder van ons - aan de grote gemeenschap van leven op deze planeet. We hebben deel aan het ecosysteem aarde. En doordat we deel hebben via talloze verbindingen zijn we dus nooit machteloos.

Het feit dat je verbonden bent met deze wereld, wezenlijk verbonden bent, betekent, dat in alles wat je zegt, in alles wat je doet en alles wat je denkt, je de wereld mede vormt; mede co-creëert. Ieder van ons speelt daar een rol in. Ieder van ons is daarin van betekenis.

Natuurlijk is het dan eenvoudig te zeggen “Maar mijn rol is niet zo groot. Ik ben maar een mens. Wat kan ik nou doen? Wat betekent dat nou?” Welnu, het kenmerk van die complexiteit van verbindingen in deze wereld, is dat je eigenlijk heel veel van die banden en verbindingen en connecties niet eens kunt zien; niet kunt overzien. Wij zien vaak alleen maar wat direct voor onze ogen ligt, terwijl we continu, in alles wat we doen, deze wereld aanraken. En deze wereld dus mede creëren, co-creëren. In veel grotere netwerken dan we zelf kunnen beschouwen.

Ieder van ons heeft betekenis in de wereld
Voor mij werkt dat heel erg duidelijk in een voorbeeld dat mijn leven heeft veranderd. Het voorbeeld is van een jaar of tien geleden, toen ik ergens op een congres was en twee jonge mensen naar mij toe kwamen. Een jongeman en een jonge vrouw met een jongetje van een jaar of vijf, zes. Zij zeiden tegen mij “Mogen wij u ons zoontje voorstellen?” Toen zei ik “Graag". Ze zeiden: “Hij heet Matthijs". Ik heet dus ook Matthijs, dus ik zei: “Dat is een hele mooie naam.” En toen zeiden ze “Nee, hij is naar u vernoemd.”, waarop ik enigszins verontrust vroeg: “Ken ik u dan?”. "Nee, u kent ons niet, maar een jaar of zes geleden was u bij een bijeenkomst waar u gesproken heeft. Daar heeft u woorden van de Boeddha geciteerd. En die woorden waren: moge alle levende wezens gelukkig zijn. Of ze nu groot zijn, middelgroot of klein. Of ze sterk zijn, middelsterk of zwak. Of ze dichtbij of veraf zijn. Of ze gezien zijn of niet aanschouwd. Of ze geboren zijn of nog naar geboorte strevend. Moge alle levende wezens, zonder uitzondering, gelukkig en veilig zijn." Een typisch boeddhistisch uitgangspunt. De compassie met de grote gemeenschap van leven.

Zij hadden deze woorden gehoord en vertelden mij, dat ze ongeveer een maand daarvoor gehoord hadden dat ze zwanger waren. Samen hadden ze besloten het kind niet te laten komen, want ze voelden zich te jong voor het ouderschap. Twee dagen na de bijeenkomst waar ik sprak hadden ze een afspraak in een kliniek. Toen hoorden ze mijn woorden. En op dat moment hadden ze elkaar aangekeken en woordeloos besloten het kind te laten komen. Toen acht maanden later een jongetje geboren werd, hebben ze dat jongetje Matthijs genoemd. Naar degene die woorden sprak, want de Boeddha was wel een erg grote naam.

Ik ben hen oneindig dankbaar, want wat zij mij lieten zien is wat ik hierboven probeer uit te leggen. Ieder van ons heeft betekenis in de wereld. In alles wat we doen, zeggen en denken. Ik besloot en passant op dat congres de woorden van de Boeddha te citeren. Doordat ik daar die woorden uitsprak, is er een mens in deze wereld gekomen, die er anders niet geweest zou zijn. En ik zou dat nooit geweten hebben als zij mij dat niet verteld zouden hebben.

Wie wil ik nou werkelijk zijn in deze wereld?
Het betekent dus, dat wij in deze wereld continu de wereld aanraken, de werkelijkheid aanraken, in wat we zijn en hoe we zijn. En daarmee ook de wereld mede creëren. In veel meer betrekkingen dan we kunnen overzien. Ieder van ons doet ertoe en ieder van ons kan een wezenlijke rol spelen op het pad naar duurzaamheid. Het enige dat nodig is, is dat we stil zullen moeten staan en ons zullen moeten afvragen “Wie wil ik nou werkelijk zijn in deze wereld?”, “Hoe zie ik mijn relaties met deze wereld en hoe wil ik deze relaties vormgeven en realiseren?” En er dan ook werkelijk naar de handelen.

Wij zijn de laatste generatie die er werkelijk iets aan kan doen
Het Wereld Natuurfonds heeft een spotje waarin gezegd wordt: “Wij zijn de eerste generatie, die weet dat we de wereld aan het vernietigen zijn.” En dat is waar. We weten het nu. Het wordt ons steeds weer voorgehouden. We kennen de crisis.

Het spotje gaat verder met: “Wij zijn tevens de laatste generatie die er werkelijk iets aan kan doen.” En hier ligt nu de crux. We weten het, maar als we werkelijk willen veranderen, als we de teloorgang willen stopzetten, als we de crises willen opheffen, als we een duurzame toekomst willen creëren, moeten we dat nu doen. En om dat te doen, zullen we als wezens in deze wereld onze plaats moeten herbeschouwen; moeten herzien. We zullen andere verbindingen met de wereld om ons heen moeten bouwen. We zullen ons wereldbeeld moeten bijstellen en tegelijkertijd onze ervaring van de wereld en onze ervaring van de grote gemeenschap van leven moeten realiseren.

Meer podcasts en artikels

Mens en Samenleving

Nieuw hier?